Spring naar inhoud
Mijn TKP

Wetsvoorstel ‘bedrag ineens’ ingediend bij Tweede Kamer

De keuze voor deelnemers om bij pensionering een deel van het pensioenvermogen als bedrag ineens op te nemen, is onderdeel van het pensioenakkoord. Op 3 september is het wetsvoorstel over dit ‘bedrag ineens’ ingediend bij de Tweede Kamer. Gaat de kamer akkoord, dan moeten deelnemers al per januari 2022 gebruik kunnen maken van de keuze.

Vorig jaar november konden betrokken partijen in een consultatieronde reageren op een consultatieversie van het wetsvoorstel. Ook wij hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. In het wetsvoorstel dat er nu ligt, zien wij een aantal van de door ons ingebrachte onderwerpen terugkomen. Zo vroegen wij om toelichting op de afkoop van verschillende vormen van ouderdomspensioen naast elkaar.

Daarnaast misten wij een onderdeel over de relatie met schuldsanering, en de mogelijkheden en bevoegdheden die curatoren of bewindvoerders hebben wanneer deelnemers de keuze krijgen voor een bedrag ineens. Hier heeft de minister nu passages over opgenomen. 

De belangrijkste elementen uit het wetsvoorstel

Alleen ouderdomspensioen
De mogelijkheid om een bedrag ineens op te nemen geldt voor (alle vormen van) ouderdomspensioen. Dus niet voor andere vormen, zoals nabestaanden- of arbeidsongeschiktheidspensioen. 

Recht van deelnemers
De mogelijkheid om een deel van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen als bedrag ineens op te nemen (in juridisch-technische zin is er overigens sprake van afkoop), wordt een recht van deelnemers. Door het tot een recht te maken, voorkomt de wetgever dat deelnemers geen gebruik van afkoop kunnen maken omdat een pensioenuitvoerder de mogelijkheid niet aanbiedt. Een pensioenuitvoerder is dus verplicht om aan een verzoek van een deelnemer mee te werken.

Geen verplicht bestedingsdoel
Voor het bedrag dat de deelnemer opneemt, geldt geen verplicht bestedingsdoel.

Voorwaarden

  1. Het bedrag ineens krijgt een maximum van 10% van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen. Binnen dat maximum van 10% moeten deelnemers in vrijheid eigen keuzes kunnen maken, bijvoorbeeld voor een specifiek bedrag (voor zover dit past binnen de 10%) of een lager percentage dan 10%. Het is niet toegestaan om een paar vaste percentages of een ‘default’ percentage aan te bieden.
  2. Een pensioenuitvoerder kan zelf bepalen of de afkoop van de waarde van de aanspraken op ouderdomspensioen plaatsvindt vóór of na het eventueel toepassen van andere keuzemogelijkheden. Zoals uitruil.
  3. Deelnemers kunnen alleen gebruikmaken van deze mogelijkheid als ze geen hoog-laagpensioen hebben. Het kabinet wil hiermee voorkomen dat deelnemers een groot gedeelte van het ouderdomspensioen naar voren halen, waardoor een te grote achteruitgang in de hoogte van het pensioen kan ontstaan. De zogenoemde AOW-compensatie wordt ook aangemerkt als een vorm van het hoog-laagpensioen. Een deelnemer mag dus alleen gebruikmaken van de afkoop als er geen gebruik wordt gemaakt van AOW-compensatie. 
  4. Verder geldt dat de resterende levenslange pensioenuitkering na opname van het bedrag ineens, bóven de afkoopgrens van kleine pensioenen moet liggen. Deze voorwaarde is belangrijk voor de bescherming van deelnemers.
  5. Wanneer een deelnemer van het keuzerecht gebruikmaakt en het partnerpensioen daardoor lager wordt, is toestemming nodig van de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen.

Afkoopwaarde
Bij de vaststelling van het bedrag ineens sluit het kabinet in het wetsvoorstel aan op de regels voor andere afkoopmogelijkheden uit de pensioenwet (PW ). Denk aan de afkoop van kleine pensioenen. Alleen bij uitkeringsovereenkomsten moet de waarde van de pensioenaanspraak contant gemaakt worden. Bij premie- en kapitaalovereenkomsten geldt dat de waarde van de aanspraak overeen moet komen met het beschikbare gespaarde vermogen. 

Bij de vaststelling van de afkoopwaarde wordt geen rekening gehouden met de (negatieve of positieve) buffer van een fonds. Uit verschillende berekeningen blijkt dat dit slechts een minimale impact heeft op de dekkingsgraad van een pensioenfonds.

Informatievoorziening
Om gebruik te maken van het keuzerecht, is het noodzakelijk dat een deelnemer dit vóór de pensioeningangsdatum aan de pensioenuitvoerder kenbaar maakt. Hiervoor is een goede informatievoorziening vanuit de pensioenuitvoerder van belang. Dit is al vastgelegd in bestaande wet- en regelgeving. Pensioenuitvoerders zijn namelijk verplicht om deelnemers correct, duidelijk, evenwichtig en tijdig te informeren over de keuzemogelijkheden die de pensioenregeling biedt. 

Zo moeten uitvoerders deelnemers informeren over de hoogte van het bedrag, de resterende hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering, en de hoogte van de periodieke levenslange pensioenuitkering als géén gebruik wordt gemaakt van het keuzerecht. Daarnaast moeten ze waarschuwen dat het bedrag ineens invloed kán hebben op verschuldigde inkomstenbelastingen, op de premie volksverzekeringen en op inkomensafhankelijke regelingen. 

Per 1 januari 2022 in werking

Het is de bedoeling dat de wetgeving die het keuzerecht mogelijk maakt op 1 januari 2022 in werking treedt. Deelnemers met een pensioeningangsdatum vanaf 1 januari 2022 kunnen hiervan dan al gebruikmaken. Dat betekent dat in de loop van 2021 pensioenuitvoerders de eerste deelnemers moeten informeren over het bestaan van de keuzemogelijkheid. Wij zijn daarom druk bezig met de voorbereidingen hierop. Over het verdere verloop van dit voorstel en de daadwerkelijke inwerkingtreding, houden we u op de hoogte.

Auteur