
Terecht of niet?
In deze column besteed ik weer eens aandacht aan een interessant pensioenarrest. De casus: de werkgever brengt de pensioenregeling onder bij een verzekeraar. In het pensioenreglement staat dat de pensioenen gelijk zullen zijn aan die van het bpf. En dat de pensioenen jaarlijks zullen worden verhoogd in dezelfde mate als waarin het bpf dat doet. Het bpf moet in 2013 en 2024 korten vanwege de lage dekkingsgraad. Een paar jaar later kan het gelukkig weer indexeren en doet dat ook.
U voelt ‘m aankomen… De bij de verzekeraar ondergebrachte pensioenen worden niet op dezelfde manier geïndexeerd. Argument: in de eerdere jaren zijn ze niet gekort. Pas als de korting bij het bpf is goedgemaakt door de toegekende toeslagen van het bpf, hoeft er bij de verzekeraar weer toeslag te worden gegeven. Simpel voorbeeld: het pensioen bij het bpf was 100, werd door de korting 90 en wordt door de toeslag weer 98. Het pensioen bij de verzekeraar is 100 gebleven en er is dus geen reden voor een indexatie.
Terecht of niet?
De rechter vindt van wel. Hieronder de redenering op een rij.
- Het is zonneklaar dat de bedoeling is dat deelnemers dezelfde rechten en aanspraken krijgen als bij het bpf. En daarmee is ook bedoeld dat de pensioenuitkeringen gelijk zullen zijn.
- Dat de pensioenen in de jaren van kortingen bij de verzekeraar hoger zijn geweest, deed weliswaar afbreuk aan die bedoeling, maar dat kwam door het wettelijke verbod van 134 Pw om de pensioenen bij de verzekeraar te korten[1].De bedoeling is in die jaren weliswaar niet gerealiseerd, maar daarmee niet gewijzigd.
- Volgens deelnemers duidt de zin ‘de pensioenen worden jaarlijks op 1 januari verhoogd in dezelfde mate als waarin het pensioenfonds daartoe overgaat’, op een onvoorwaardelijke toeslag, die niet afhankelijk kan zijn van de vraag of er eerder is gekort. Nee, zegt het Hof. Doordat verwezen wordt naar het besluit van het bpf en de toeslag dus afhankelijk is van dat besluit, is er sprake van een voorwaardelijke toeslag.
- Wat de gevolgen voor indexaties zijn bij korten door het bpf, was niet in het pensioenreglement geregeld. En juist daarom mocht de verzekeraar uitgaan van de bedoeling, te weten: dezelfde pensioenen.
- Het in stand laten van het onvoorziene voordeel van niet (mogen) korten zou in strijd zijn met de bedoeling en de kern van de regeling: dezelfde pensioenen.
- Met de indexaties werden in feite de kortingen bij het bpf weer ongedaan gemaakt. Dat ongedaan maken van de korting bij het bpf is iets anders dan een normale toeslag van het bpf die ook bij de verzekerde pensioenen gegeven moet worden.
- Het niet indexeren, terwijl het bpf dat wel doet is in feite korten, vinden de deelnemers. En een verzekeraar mag dat niet volgens 134 Pw. Nee, zegt het Hof. Niet indexeren is iets anders kan korten. Je moet het zuiver rekenkundig zien: korten is ‘verlagen’ en niet ‘niet verhogen’.
De vordering van de deelnemers dat alsnog geïndexeerd moet worden, wordt afgewezen. Terecht of niet? Ik zeg terecht.
[1] Artikel 134 Pensioenwet: een pensioenfonds kan verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten verminderen indien…