Spring naar inhoud
Mijn TKP

Hoeveel risico willen uw pensioendeelnemers lopen? 5 stellingen

Hoeveel risico willen uw deelnemers straks in het nieuwe pensioenstelsel lopen? Om hiervan een goed beeld te krijgen, is een risicobereidheidsonderzoek een praktisch instrument. Zo’n onderzoek is bovendien verplicht in de nieuwe Wet toekomst pensioenen (Wtp). Op 15 juni organiseerden we een webinar over dit onderwerp. Hebt u ’t gemist? Dan nemen we u aan de hand van 5 stellingen mee in de – soms wat technische – wereld van risicobereidheid. Ook kunt u het webinar hieronder terugkijken.

1. Het is goed dat de Wet toekomst pensioenen onderzoeken naar risicobereidheid verplicht

60% van de deelnemers aan ons webinar over risicobereidheid, beantwoordde deze vraag met ‘eens’. Niet zo vreemd, want ons pensioenstelsel ontwikkelt zich van een systeem dat grotendeels gebaseerd is op aanspraken, naar een systeem gebaseerd op vermogen. Daarmee verschuiven de beleggingsrisico’s van het collectief naar individuele deelnemers. En daardoor krijgen hele groepen mensen te maken met risico’s waar de meesten zich nooit eerder om bekommerden. Sommige deelnemers worden onrustig van die nieuwe beleggingsrisico’s. Anderen willen best wat risico op de beurs lopen voor een hoger pensioen. Omdat hun risicohouding een belangrijke voedingsbodem is voor uw beleid is het belangrijk om te onderzoeken wat ze willen. Overigens is zo’n onderzoek niet helemaal nieuw. Maar in de nieuwe wet wordt het belangrijker, uitgebreider én moet het verplicht eens in de 5 jaar worden uitgevoerd.

2. We moeten het hebben over risicohouding, niet over risicobereidheid

Dat klopt. In onze publicaties spreken we doorgaans van risicobereidheid. Maar dat is eigenlijk iets te beperkt. Het gaat om risicohouding. En die bestaat uit 2 elementen; 1 de risicobereidheid: hoeveel risico willen deelnemers lopen? En de risicocapaciteit: hoeveel risico kunnen deelnemers lopen? Daarvoor zouden we het liefst alle financiële gegevens van een deelnemer automatisch binnenhalen, maar dat kunnen we (nog) niet. Daarom maken we gebruik van de gegevens uit de pensioenadministratie, aangevuld met gerichte vragen aan deelnemers. Risicobereidheid en risicocapaciteit samen bepalen de risicohouding. Omdat we binnen onze organisatie en het Expertisecentrum al veel onderzoek hebben gedaan naar risicobereidheid en minder naar risicocapaciteit én omdat deze term in de volksmond ook al meer ingeburgerd is, hebben we het meestal automatisch over risicobereidheid. Maar we bedoelen dus het bredere begrip risicohouding.

3. Het is onmogelijk te achterhalen wat de risicobereidheid van deelnemers is

65% van de deelnemers aan het webinar is het oneens met deze stelling. En vindt dus dat het wél mogelijk is om de risicobereidheid van deelnemers te achterhalen. Hoewel het moeilijk is om er een exact en objectief cijfer aan te koppelen, is het zeker mogelijk om in de buurt te komen. Daar zijn verschillende wetenschappelijke methodes voor. Hierbij schatten we een zogeheten nutsfunctie. Kort gezegd beschrijft dat hoeveel geluk een bepaald bedrag aan pensioen iemand oplevert. Daarvoor rekenen we met de gamma (g), die staat voor hoe risico-avers iemand is. Hoe hoger de gamma, hoe minder comfortabel iemand zich voelt bij risico’s. Als we de gamma van iemand kennen, dan kunnen we precies uitrekenen welke mate van risico het beste past bij de pensioenpopulatie(s). De uitkomst van die berekening leidt tot de (beleggings)allocatie waarmee deelnemers het hoogste (verwachte) geluk halen.

‘Wat ons betreft is de choice sequence methode de beste methode om te bepalen hoeveel risico een deelnemer wil en kan nemen met z’n of haar pensioen’

4. Een diepte-interview is de beste methode om te achterhalen hoeveel risico een pensioendeelnemer wil lopen

Daar zijn we het niet mee eens. Als we, in het verlengde van de stelling hiervoor, van pensioendeelnemers direct de gamma konden vragen, dan zouden we meteen klaar zijn. Dat is helaas niet mogelijk – kent u uw persoonlijke gamma? – maar er zijn verschillende methodes om die toch, indirect, te achterhalen. Wat ons betreft is de choice sequence methode de beste methode om te bepalen hoeveel risico een deelnemer wil en kan nemen met z’n of haar pensioen. Bij die methode laten we ze kiezen uit 2 scenario’s: een veilig en een risicovol pensioen. Zo’n keuze laat zien hoe comfortabel iemand zich voelt bij de verhouding tussen risico en rendement. In het webinar gaan we uitgebreid in op de choice sequence methode. Dus kijk het hieronder vooral terug voor alle details. 

5. Naast ratio moeten emotionele aspecten ook een rol krijgen bij een risicobereidheidsonderzoek

Ongeveer de helft van de webinardeelnemers is het eens, en de andere helft niet. Naast alle wetenschappelijke kaders, vinden we dat er ruimte moet zijn voor emotie. Maar feitelijk gebeurt dat al, zij het impliciet. Want dé rationele mens – de homo economicus – bestaat niet. Mensen zijn nou eenmaal niet consistent, begrijpen niet alles en hebben te maken met behavioural biases. Ze voelen verlies bijvoorbeeld sterker dan winst en hebben de neiging om altijd voor de middelste keuze te gaan. De kunst bij onze onderzoeken is om die biases te neutraliseren. Bijvoorbeeld door niet in termen van winsten of verliezen te communiceren, altijd gelijke kansen te tonen en door de volgorde te randomiseren. Zo krijgen we een rationele risicovoorkeur. Daarmee willen we emoties niet wegmoffelen. Integendeel; die willen we juist expliciet maken en niet vermengen. Door apart gewicht te geven aan emoties, wordt beleggingsbeleid efficiënter dan wanneer we de emoties impliciet meenemen. We sluiten dan ook af met een nuttige leestip over dit onderwerp: het artikel ‘Goed slapen of goed pensioen? Het effect van verliesaversie op lifecycle constructie’ van sprekers Gosse Alserda en Rogier Potter van Loon.

Ons webinar over risicobereidheid gemist? Bekijk het hieronder terug. Of lees onze lightpaper over risicopreferentie.

Toekomst van pensioen: webinar Risicobereidheid

Auteur